Niet elk dossier/ elke leerling komt in aanmerking voor ondersteuning vanuit Kind op 1. Er zijn in de regio afspraken gemaakt voor welke onderwijsbehoeften scholen zelf een oplossing moeten vinden. Dit heet de basisondersteuning. Pas als dat wat de leerling nodig heeft die afgesproken basisondersteuning overstijgt kan er een aanvraag bij het Loket gedaan worden.

Elke leerkracht kan wel extra hulp in zijn klas gebruiken. We hebben echter een beperkt budget gekregen en daarom afgesproken voor welk soort vragen het budget kan worden gebruikt. Bij een aanvraag checkt het loket ook of de school zelf al heeft gedaan wat we van scholen mogen verwachten: hebben zij hun eigen hulpmogelijkheden al ingezet? Het gaat bij een aanvraag dus niet alleen om de problemen van een leerling, maar ook over het handelen van de school. Het loket stelt bij elke aanvraag 2 vragen:

  1. Wat heeft de leerling nodig?
  2. Kan de school dat zelf bieden of zouden ze dat moeten kunnen?

Scholen, ouders en leerlingen vertellen ons zelf in de aanvraag wat zij nodig hebben om de doelen die zij stellen te kunnen halen. We kennen geen standaardarrangementen. Het is aan het loket om af te wegen wat de school krijgt. Dat moet eerlijk zijn voor deze leerling, maar ook eerlijk t.o.v. andere scholen. We moeten het budget met zijn allen delen.

In de praktijk bestaat de ondersteuning vaak uit ambulante begeleiding. Er komt iemand met veel verstand van, en ervaring met, vergelijkbare hulpvragen meedenken met de leerkracht, de ouders en de leerling. Hoe intensief dat is en met wie er vooral gewerkt wordt is heel divers. Soms is er ook een aanvullend budget in het arrangement van waaruit de school extra menskracht kan inzetten. En soms gaat het om concrete hulpmiddelen of lesmaterialen.

Tenslotte is er soms ook ondersteuning nodig in de vorm van een andere lesplaats; een speciale (basis)school. In dat geval is er de vraag naar een toelaatbaarheidsverklaring.